Op elke werkplek krijg je leiding en begeleiding.
De vraag is: hoe ga je daar mee om?
Deze vier reageren allemaal weer net anders op hun baas.
Marco
Marco houdt van (dure) auto’s.
Daarom is hij blij dat hij stage kan lopen bij een autopoetsbedrijf.
Marco
Van de baas moet hij van boven naar beneden werken: “Begin bij het dak.”
“Oké”, zegt Marco.
Maar hij vindt dat maar onzin. Als de auto maar schoon wordt, toch?
Dus doet hij het op zijn eigen manier.
Marco zegt dus JA, maar denkt NEE.
Claire
Claire werkt in de keuken van een restaurant.
Ze doet daar de mise-en-place.
Dat betekent dat ze alles snijdt en klaarzet, zodat de chefkok dat niet hoeft te doen.
Claire
Voor elk product moet ze een andere snijplank gebruiken.
Dat is een hoop gedoe en veel schoonmaakwerk.
Soms heeft Claire daar geen zin in.
De kok blijft er maar over zeuren.
Ze vindt het echt een vreselijke vent!
Stanley
Stanley werkt bij een supermarkt.
Meestal zie je hem daar de vakken bijvullen.
Dat is flink doorwerken,
want de kar met voorraad moet in een paar minuten leeg zijn.
Stanley
Zijn chef zegt dat hij tegelijk moet spiegelen.
Dat is de nieuwe pakken achteraan en de oude pakken vooraan in het rek zetten.
Maar dat kost extra tijd.
“Waarom is dat zo belangrijk?”, vraagt Stanley.
Shylene
Shylene is kamermeisje in een hotel.
Daar maakt ze de kamers schoon en dekt ze de bedden op voor de nieuwe gasten.
Ze is goed in haar werk en ook snel.
Shylene
Doordat ze sneller is dan haar collega’s heeft ze tijd over om met vriendinnen te bellen.
“Dan neem je toch een kamer over van een collega!”, moppert haar baas.
”Moet ik het werk van 2 mensen doen? Bekijk het maar!”,
denkt Shylene.
Pak je werkmap erbij
en maak de opdracht op werkblad 12.