Een positivo en een negativo
kijken allebei anders naar de wereld.
"Dit glas is al half leeg."
"Dit glas is nog half vol."
"Nieuwe dag, nieuwe kansen."
"Moet ik nu al mijn bed uit!?"
"Dit moet te doen zijn…"
"Dit lukt me nooit!"
"Er komt geen einde aan!"
"Ik ben al op de helft!"
"Weer zo’n stagedag!"
"Wat zal ik vandaag meemaken?"
"Wat zou je hiermee kunnen…"
"Dit zegt me niks!"
"Heerlijk!"
"Niet vies."
"Wie zou dat zijn?"
"Dat lijkt me een raar mens!"
"Wat een pokkeweer!"
"Mij kan lekker niks gebeuren!"
Pak je werkmap erbij
en maak de opdracht op werkblad 11.